Toen ik je vond,
was je kapot.
Ik nam je op,
en sloot je in mijn hart.
We hielden elkaar vast,
eindelijk gevonden.
De wederkerigheid,
van onze zielen.
Jij heelde ook mij,
vulde mij op.
Maar je was op een plek,
waar ik niet kon komen.
In de vlucht,
raakte ik je weer kwijt.
Ging op zoek naar je,
in een akelige plek.
Vond je terug,
in je web, verwarring.
Schaamte, vernieling,
duistere prinses.
Ik nam je mee,
wilde je redden.
Nu zit je hier, lege huls,
ik ben je kwijt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten